In een rechthoekige driehoek is de ene rechthoekszijde dubbel zo lang als de andere. Als je de hoogtelijn trekt uit de rechte hoek, verkrijg je twee nieuwe driehoekjes.
Als je nu de oppervlakte van deze drie driehoeken rangschikt van klein naar groot verhouden die oppervlakten zich als
A.   1 : 2 : \(\small\sqrt{5}\)
B.   1 : 2 : 3
C.   1 : 2 : 4
D.   1 : 3 : 5
E.   1 : 4 : 5
    A    B    C    D    E

[ 3-A285 - op net sinds 30.9.2026-(E)- ]

Translation in   E N G L I S H

IN CONS
IN CONSTR
IN CONSTRUC
IN CONSTRUCTI
IN CONSTRUCTION
A.  
B.  
C.  
D.  
E.  

Oplossing - Solution

Je kan gerust starten met een rechthoekige driehoek die rechthoekszijden heeft van 1 en 2. De drie driehoeken zijn gelijkvormig met elkaar (HHH). De schuine zijden van de twee kleinsten zijn 1 en 2 en de grootste heeft een schuine zijde van \(\small\sqrt{1^{2}+2^{2}}=\sqrt{5}\).
Hun oppervlakten verhouden zich dus als   1² : 2² : \((\sqrt{5})^2\)   of   1 : 4 : 5

GWB