1ste manier : 2de manier : 3de manier :
Het antwoord is \(\frac23\sqrt3\) want dan is de lengte van de korste zijde \(\frac{\sqrt3}{3}\) en wordt voldaan aan de stelling van Pythagoras :
Onthoud van buiten : in een rechthoekige driehoek met scherpe hoeken van 30° en 60° is de schuine zijde altijd dubbel zo lang als de kortste zijde.