|
Met \(\small\vec{A},\vec{B},\vec{C}\) bedoelen we de eind-punten v.d. vectoren \(\small\vec{OA},\vec{OB},\vec{OP}\) in het gepunte vlak \(\Pi_o\). Als \(\small\vec{A}\) en \(\small\vec{B}\) vaste punten zijn in dat vlak, dan stelt \(\small\vec{P}=\vec{A}+(1-2k)\vec{B}\) een vectoriële vergelijking voor van een rechte. Welke uitspraak is onwaar (FOUT) ? |
A. \(\vec{A}+\vec{B}\) ligt op die rechte |
|---|---|
| B. \(\vec{A}-\vec{B}\) ligt op die rechte | |
| C. \(\vec{A}\) ligt op die rechte | |
| D. \(\vec{B}\) ligt op die rechte | |
| E. \(\vec{A}+2026\vec{B}\) ligt op die rechte |
[ 4-0993 - op net sinds 16.2.2020-(E)-13.6.2026 ]
|
IN CONSTRUCTION |
A. |
|---|---|
| B. | |
| C. | |
| D. | |
| E. |
kan nooit gelijk worden aan
, welke waarde je ook aan k geeft.